Textielfabrieken

Home / Alle Themas / Textielfabrieken    |    Terug

Ooit was Tilburg de Wolstad van Nederland. In Tilburg was er namelijk veel textielindustrie, voornamelijk in wol. Eerst maakten Tilburgers in opdracht van fabrikanten thuis op een weefgetouw weefsel. Maar toen er steeds meer vraag kwam, was het handiger als de arbeiders bij elkaar in één ruimte de wol bewerkten. Daarom ontstonden er in de achttiende eeuw fabriekshuizen. Aan het begin van de negentiende eeuw groeide de textielindustrie erg hard doordat er steeds meer vraag was naar stoffen en bijvoorbeeld legerkleding uit Tilburg.

 Doordat de textielindustrie groter werd, groeiden ook de ruimtes en de hoeveelheid arbeiders die nodig waren. Het productieproces, dat is hoe de wol door verschillende mensen bewerkt wordt, werd steeds belangrijker. Ook kwamen er steeds meer machines die de arbeiders konden helpen. Arbeiders werkten aan spinnenwielen die stoommachines lieten ronddraaien of achter weefgetouwen die werden bewogen door een machine. Vaak ging dat met ijzeren stangen, de ‘aandrijfassen’. De machines werkten door hun aandrijfassen vaak alleen als ze bij elkaar in de buurt stonden. Daarom groeiden de fabriekshuizen en werden textielfabrieken. De fabrieken zagen er niet allemaal hetzelfde uit. In het begin waren het nog donkere gebouwen met weinig daglicht. Om al die machines en arbeiders kwijt te kunnen bouwden ze fabrieken met meerdere verdiepingen, dat werd in de negentiende eeuw ‘hoogbouw’ genoemd (zie bron Hoogbouw en sheds). Hierin stonden vooral spinmachines.

 Aan het einde van de negentiende eeuw kwamen er steeds meer stoomweefmachines. Die waren zwaarder dan spinmachines en langer. Dat was niet zo handig in hoogbouw. Ook hadden de arbeiders meer licht nodig. Daarom bouwden ze vanaf het einde van de negentiende eeuw steeds vaker lange fabriekszalen met een speciaal dak voor het licht. Die heten sheds en sheddaken (zie bron Sheddaken). De ideeën hiervoor kwamen allemaal uit Engeland, door de ‘Industriële Revolutie’ (zie thema Thuis aan het werk).

 De Tilburgers waren lange tijd trots op hun fabrieken en het werk dat daaruit voortkwam. Tot ongeveer de helft van de twintigste eeuw werden de fabrieken dan ook midden in de stad op belangrijke plekken gebouwd. Arbeiders woonden in huisjes eromheen. Maar vanaf de jaren 60 vond men de fabrieken niet langer mooi om naar te kijken en niet zo gezond om vlakbij te wonen. In dezelfde periode werden andere stoffen dan wol populair en kwam er meer buitenlandse concurrentie waardoor het slechter ging met de textielindustrie. Tussen 1964 en 1970 verdween bijna twee derde van het aantal arbeidsplaatsen. De industrieterreinen verhuisden naar de rand van de stad en sommige oude fabrieken in de stad werden afgebroken.

Geschiedenislokaal013

Textielfabrieken

Omschrijving

Ooit was Tilburg de Wolstad van Nederland. In Tilburg was er namelijk veel textielindustrie, voornamelijk in wol. Eerst maakten Tilburgers in opdracht van fabrikanten thuis op een weefgetouw weefsel. Maar toen er steeds meer vraag kwam, was het handiger als de arbeiders bij elkaar in één ruimte de wol bewerkten. Daarom ontstonden er in de achttiende eeuw fabriekshuizen. Aan het begin van de negentiende eeuw groeide de textielindustrie erg hard doordat er steeds meer vraag was naar stoffen en bijvoorbeeld legerkleding uit Tilburg.

 Doordat de textielindustrie groter werd, groeiden ook de ruimtes en de hoeveelheid arbeiders die nodig waren. Het productieproces, dat is hoe de wol door verschillende mensen bewerkt wordt, werd steeds belangrijker. Ook kwamen er steeds meer machines die de arbeiders konden helpen. Arbeiders werkten aan spinnenwielen die stoommachines lieten ronddraaien of achter weefgetouwen die werden bewogen door een machine. Vaak ging dat met ijzeren stangen, de ‘aandrijfassen’. De machines werkten door hun aandrijfassen vaak alleen als ze bij elkaar in de buurt stonden. Daarom groeiden de fabriekshuizen en werden textielfabrieken. De fabrieken zagen er niet allemaal hetzelfde uit. In het begin waren het nog donkere gebouwen met weinig daglicht. Om al die machines en arbeiders kwijt te kunnen bouwden ze fabrieken met meerdere verdiepingen, dat werd in de negentiende eeuw ‘hoogbouw’ genoemd (zie bron Hoogbouw en sheds). Hierin stonden vooral spinmachines.

 Aan het einde van de negentiende eeuw kwamen er steeds meer stoomweefmachines. Die waren zwaarder dan spinmachines en langer. Dat was niet zo handig in hoogbouw. Ook hadden de arbeiders meer licht nodig. Daarom bouwden ze vanaf het einde van de negentiende eeuw steeds vaker lange fabriekszalen met een speciaal dak voor het licht. Die heten sheds en sheddaken (zie bron Sheddaken). De ideeën hiervoor kwamen allemaal uit Engeland, door de ‘Industriële Revolutie’ (zie thema Thuis aan het werk).

 De Tilburgers waren lange tijd trots op hun fabrieken en het werk dat daaruit voortkwam. Tot ongeveer de helft van de twintigste eeuw werden de fabrieken dan ook midden in de stad op belangrijke plekken gebouwd. Arbeiders woonden in huisjes eromheen. Maar vanaf de jaren 60 vond men de fabrieken niet langer mooi om naar te kijken en niet zo gezond om vlakbij te wonen. In dezelfde periode werden andere stoffen dan wol populair en kwam er meer buitenlandse concurrentie waardoor het slechter ging met de textielindustrie. Tussen 1964 en 1970 verdween bijna twee derde van het aantal arbeidsplaatsen. De industrieterreinen verhuisden naar de rand van de stad en sommige oude fabrieken in de stad werden afgebroken.

Trefwoorden

Textiel
Industrie