Thuis aan het werk

Home / Alle Themas / Thuis aan het werk    |    Terug

Mensen leefden vroeger voor een groot deel zelfvoorzienend. Dat betekent dat ze het grootste deel van de tijd bezig waren eten en spullen voor zichzelf te maken en niet voor een salaris. De meeste Tilburgers hadden bij hun huis wat grond waarop ze dingen als groenten en graan kweekten. Ze hadden dieren voor melk, eieren en soms wat vlees. De hele familie woonde bij elkaar: opa en oma, vader en moeder en veel kinderen, vijf of zes was heel normaal. Sommige dingen werden gekocht, maar het meeste wat nodig was om te leven, hadden ze in en om het huis.

In Tilburg worden al sinds de dertiende eeuw allerlei stoffen gemaakt en bewerkt, vooral wol. Maar er werkte toen bijna niemand in fabrieken, veel vaker vanuit huis voor wat extra geld naast hun zelfvoorzienende manier van leven. Fabrikeurs zijn mensen die andere betalen om wol te laten bewerken en het daarna weer verkopen. Zij en andere textielondernemers huurden wevers in die vanuit huis werkten (zie bron Thuiswever). In de achttiende werd Tilburg een van de belangrijkste steden voor het maken van wol, belangrijker dan Leiden, de concurrent. Er was daardoor steeds meer werk voor thuiswerkers (zie thema Textielfabrieken). De fabrikeurs zorgden voor een weefgetouw waarop ze konden werken. Het was vaak het duurste dat mensen in huis hadden. Een onderzoek uit 1832 laat zien dat meer de helft van de Tilburgse textielarbeiders eigenlijk niet genoeg te eten had en arm was.

Een voordeel van thuiswerken was dat de vrouwen en kinderen ook konden helpen. Vrouwen werkten aan het spinnewiel. Zij sponnen het garen dat de man achter op het weefgetouw nodig had. Vaak hielpen buurtgenoten elkaar. Sommige delen van het werk moesten achter het huis of op straat gebeuren, zoals het spannen van het kettinggaren (zie bron Ketting scheren). Andere vormen van thuisarbeid waren bijvoorbeeld stoppen en –noppen (zie thema Kinderarbeid bron Nopsters en stopsters).

Rond 1750 veranderden er ook in Engeland veel dingen. Ze vonden manieren uit om stoommachines te laten helpen bij het werk, door die bijvoorbeeld weefgetouwen aan te laten drijven. Werk dat eerst alleen door mensen gedaan kon worden, werd nu deels door machines gedaan. In de achttiende eeuw was dat een heel erg grote verandering, en daarom kreeg het de grote naam ‘Industriële Revolutie’. Arbeiders waren nog steeds nodig, maar die machines stonden natuurlijk niet bij mensen thuis. In Engeland werkten vanaf toen steeds minder mensen vanuit huis. In dezelfde tijd groeide Tilburg als wolstad en werd de grootste producent van wol, textiel en lakens in Nederland. Er waren steeds meer wevers en andere textielarbeiders nodig. Het weven gebeurde op steeds grotere schaal en meer thuiswevers kwamen bij elkaar te werken in fabriekshuizen (zie thema Textielfabrieken, bron Fabriekshuis). Maar er was ook nog steeds veel thuiswerk.

Pas in de negentiende eeuw begon de Industriële Revolutie ook in Nederland. In 1827 had de fabrikant Pieter van Dooren de eerste stoommachine van Tilburg (zie thema Textielfabrieken, bron Fabriek Pieter van Dooren). Maar andere fabrieken volgden langzaam. Sowieso gingen de veranderingen in Nederland langzamer dan in Engeland. Wij noemen de Industriële Revolutie daarom meestal ‘industrialisatie’. Ondertussen werd er vanuit Tilburg steeds meer en steeds betere textiel verkocht. Daarom kwamen er op een gegeven moment ook grote fabrieken. Pas in de jaren 20 van de twintigste eeuw maakte fabrikanten bijna geen gebruik meer van thuiswevers. Al stopte de allerlaatste pas in 1940.

Trefwoorden

Geschiedenislokaal013

Thuis aan het werk

Omschrijving

Mensen leefden vroeger voor een groot deel zelfvoorzienend. Dat betekent dat ze het grootste deel van de tijd bezig waren eten en spullen voor zichzelf te maken en niet voor een salaris. De meeste Tilburgers hadden bij hun huis wat grond waarop ze dingen als groenten en graan kweekten. Ze hadden dieren voor melk, eieren en soms wat vlees. De hele familie woonde bij elkaar: opa en oma, vader en moeder en veel kinderen, vijf of zes was heel normaal. Sommige dingen werden gekocht, maar het meeste wat nodig was om te leven, hadden ze in en om het huis.

In Tilburg worden al sinds de dertiende eeuw allerlei stoffen gemaakt en bewerkt, vooral wol. Maar er werkte toen bijna niemand in fabrieken, veel vaker vanuit huis voor wat extra geld naast hun zelfvoorzienende manier van leven. Fabrikeurs zijn mensen die andere betalen om wol te laten bewerken en het daarna weer verkopen. Zij en andere textielondernemers huurden wevers in die vanuit huis werkten (zie bron Thuiswever). In de achttiende werd Tilburg een van de belangrijkste steden voor het maken van wol, belangrijker dan Leiden, de concurrent. Er was daardoor steeds meer werk voor thuiswerkers (zie thema Textielfabrieken). De fabrikeurs zorgden voor een weefgetouw waarop ze konden werken. Het was vaak het duurste dat mensen in huis hadden. Een onderzoek uit 1832 laat zien dat meer de helft van de Tilburgse textielarbeiders eigenlijk niet genoeg te eten had en arm was.

Een voordeel van thuiswerken was dat de vrouwen en kinderen ook konden helpen. Vrouwen werkten aan het spinnewiel. Zij sponnen het garen dat de man achter op het weefgetouw nodig had. Vaak hielpen buurtgenoten elkaar. Sommige delen van het werk moesten achter het huis of op straat gebeuren, zoals het spannen van het kettinggaren (zie bron Ketting scheren). Andere vormen van thuisarbeid waren bijvoorbeeld stoppen en –noppen (zie thema Kinderarbeid bron Nopsters en stopsters).

Rond 1750 veranderden er ook in Engeland veel dingen. Ze vonden manieren uit om stoommachines te laten helpen bij het werk, door die bijvoorbeeld weefgetouwen aan te laten drijven. Werk dat eerst alleen door mensen gedaan kon worden, werd nu deels door machines gedaan. In de achttiende eeuw was dat een heel erg grote verandering, en daarom kreeg het de grote naam ‘Industriële Revolutie’. Arbeiders waren nog steeds nodig, maar die machines stonden natuurlijk niet bij mensen thuis. In Engeland werkten vanaf toen steeds minder mensen vanuit huis. In dezelfde tijd groeide Tilburg als wolstad en werd de grootste producent van wol, textiel en lakens in Nederland. Er waren steeds meer wevers en andere textielarbeiders nodig. Het weven gebeurde op steeds grotere schaal en meer thuiswevers kwamen bij elkaar te werken in fabriekshuizen (zie thema Textielfabrieken, bron Fabriekshuis). Maar er was ook nog steeds veel thuiswerk.

Pas in de negentiende eeuw begon de Industriële Revolutie ook in Nederland. In 1827 had de fabrikant Pieter van Dooren de eerste stoommachine van Tilburg (zie thema Textielfabrieken, bron Fabriek Pieter van Dooren). Maar andere fabrieken volgden langzaam. Sowieso gingen de veranderingen in Nederland langzamer dan in Engeland. Wij noemen de Industriële Revolutie daarom meestal ‘industrialisatie’. Ondertussen werd er vanuit Tilburg steeds meer en steeds betere textiel verkocht. Daarom kwamen er op een gegeven moment ook grote fabrieken. Pas in de jaren 20 van de twintigste eeuw maakte fabrikanten bijna geen gebruik meer van thuiswevers. Al stopte de allerlaatste pas in 1940.

Trefwoorden

Textiel
Wevershuizen